FESTIVALTERREIN, Roskilde
1 t/m 4 juli 2010
Kampeerperikelen. Wie ons vorig jaar gevolgd heeft weet dat het overnachten nu niet bepaald van een leien dakje ging. Dit jaar ook niet; het wordt zelfs nog erger…
Om als gast op het festival te zijn moet je betalen. Daar kun je over zeuren, maar dat hebben we vorig jaar al gedaan, dus leggen ons er gewoon bij neer. Voor de somma van 120 Euro mogen we het festival op en kamperen op de speciale perscamping.
Voor zo’n gigantisch vierdaags festival is dat nog aan de lage kant, dus
ook hierover hoor je ons niet klagen. Echter, evenals vorig jaar is ook
nu weer de laatste vierkante meter op de perscamping bezet. Konden wij
dit euvel vorig jaar oplossen door onze auto te parkeren op de
bijbehorende parkeerplaats en in de auto te slapen, nu is deze
parkeerplaatst verboden voor auto’s (!). Festivals en absurde regeltjes:
het begint onderhand krankzinnige vormen aan te nemen. We voelen ons
bekocht en besluiten van de weeromstuit onze auto te parkeren op een
verlaten industrieterrein vlak in de buurt. Het wordt bijna luguber en
we voelen ons er niet lekker over, maar de arbeid roept…
Dag 1: donderdag 1 juli
Positief is in ieder geval het fantastische zomerse weer: een heerlijk zonnetje, maar ook weer niet tè warm. Van dat zomerse gevoel is direct weinig meer over als de Noorse shoegazerhelden van Serena-Maneesh aftrappen in de Odeon: denk aan My Bloody Valentine meets The Jesus & Mary Chain met een vleugje Joy Division en dit alles moddervet gespeeld. Prima band, al is publieksparticipatie bij dit genre niet echt een pré. Als de zanger aankondigt dat zijn zusje (de bloedmooie blonde bassiste) vandaag 21 is geworden, wordt spontaan ‘Happy Birthday’ gezongen vanuit het publiek. Ai, dat detoneert!
De jonge Deense band When Saints Go Machine (met achtergrondzangeressen) maakt enerzijds vrij toegankelijke disco/techno, maar experimenteert anderzijds flink met bijvoorbeeld Africaanse ritmes en dark-house. Wie op basis van deze omschrijving denkt dat we de band in een obscuur ‘’achteraf tentje’’ hebben gezien, zit er flink naast. WSGM staat op het hoofdpodium ten overstaan van een boordevol groot veld. Apart volk die Denen.
Over kwaliteitsminnende Denen gesproken: Efterklang was twee jaar geleden nog onbereikbaar in de Astoria (een tent die dit jaar, evenals de Lounge, van de aardbodem is verdwenen), nu zijn er bijna tweemaal zoveel mensen voor de band op komen dagen dan in de relatief kleine Odeon passen; meer luisteren dan bekijken dus… Efterklang maakt sferische pop waar men in Scandinavië ongeveer patent op heeft (denk: Sigur Ros), maar bouwt de set vakkundig op, waardoor er op het laatst zelfs wordt meegeklapt. Petje af!
Het is dankzij deze show dat we feitelijk te laat zijn in de Cosmopol voor het optreden van LCD Soundsystem. Dat is te betreuren, want enkele tientallen meters buiten de tent is best te horen dat er weer ouderwets gebeukt wordt (we horen publieksfavorieten Daft Punk Is Playing At My House en de nieuwste hit Drunk Girls), maar een mongool met een vuvuzela loopt de boel compleet te verzieken en om ons heen wordt luid door de muziek heengetetterd. In het Nederlands. Uit en toch een beetje thuis. Tijd voor een pauze.
Al wandelend over de grote centrale festivalweide zien we op de grote schermen dat het optreden van de Gorillaz vertraagd is naar half 11. Dat stelt ons in de gelegenheid om nog even een bandje te gaan bekijken in de Odeon. De muziek van Valient Thorr omschrijven we als ’vikingenmuziek’, al blijkt het hier toch om een Amerikaanse band te gaan. Combineer alle clichés van Danko Jones met alle clichés van jaren ’70rock en dan heb je het wel zo’n beetje. Wilde mannen met lang haar en baarden spelen voor andere mannen met lang haar en baarden, van gemiddeld middelbare leeftijd. Ieder zijn pleziertje, maar dit is toch niet bepaald ons ding.
Voor het afsluitende optreden van de Gorillaz is geen alternatief aanwezig en dat betekent dat het ongezellig druk is op het veld. Op het podium geen cartoons, maar een indrukwekkende band inclusief blazers. Zo stellen we Kyteman’s Hip-Hop-orkest voor als hij een internationale carrière had geambieerd. Met name qua enthousiasme zijn de vergelijkingen treffend. Helaas worden we al snel getroffen door een claustrofobisch gevoel, een ijzig oostenwind waait door onze weinige kleren heen (en zorgt ervoor dat we de rest van het festival alleen kuchend, hoestend en niezend te zien zullen krijgen) en we maken ons zorgen over onze overnachtingsplek.
Nu het nog redelijk licht is, spoeden we ons naar onze auto, maar daar blijkt alles mee te vallen. Sterker: we blijken trendsetters te zijn geweest. Meerdere auto’s staan naast de onze geparkeerd met hetzelfde doel. Eindelijk weer eens wat anarchie op de (over)gereguleerde popfestivals. Het werd tijd
Dag 2: vrijdag 2 juli
Om 1 uur staan we alweer op het festivalterrein. Veel is er nog niet te doen, behalve The Bear Quartet kijken in de Pavilion. De psychedelische rockband weet een nummer halverwege de set te rekken tot meer dan 10 minuten, door louter gitaargesoleer; uitermate vermoeiend allemaal. Meer lof oogst men met een nummer waarin een rapper (!) een gastoptreden geeft. Een groepje wild springende, in berenpakken gehulde die-hardfans zorgen voor het Jiskefet-effect.
Shit, dat woord hadden we nooit moeten bedenken! The Teddybears (voorheen Teddybears STHM) zijn namelijk gewoon Jiskefet: Drie mannen in berenpakken; twee doens iets vaags met een gitaar, de derde zingt door een vo-coder. Ze worden geflankeerd door twee live-drummers. Het is altijd de vraag wat nu precies live is bij dergelijke acts. Moddervet is het in ieder geval wel, zeker als er halverwege een ‘gewone’ zanger bij komt en er diverse nummers voorbij komen die niet zouden misstaan in de dagprogrammering van 3FM: een mix van hip-hop, postpunk en electropop en dat alles retecommercieel. Bij de toegift grijpt men terug naar de pretentieloze fuifmuziek en komt ook Cobrastyle voorbij; het nummer waar ze ook in Nederland ooit een hit mee scoorden.
Van de Cosmopol naar de Odeon waar Florence and the Machine spelen. Meske Welsh heft de kritiek op haar optreden op Pinkpop (te beweeglijk en dat ging ten koste van haar zang) blijkbaar aangetrokken en staat de eerste drie kwartier theatraal gebarend achter een staande microfoon. Daarna is er alsnog geen houden meer aan met een klimpartij in een geluidsmast en een lesje ‘collectief in de lucht springen’. Gezellig (en en passant nog een goed optreden gezien ook).
Net voor het slot benen we alweer naar de Pavilion. Daar zorgt Delphic voor een aangename verassing: energieke catchy electro pop/rock die af en toe zodanig uit de bocht vliegt dat de band Muse benadert.
Een speciale vermelding is er voor de band Dizzy Mizz Lizzy. Deze speelt op het hoofdpodium met zo’n extreem volume dat ze 1 meter buiten de Pavilion – ongeveer aan de andere zijde van het terrein – nog bijna letterlijk hoorbaar is!
We gaan de rest van de dag pendelen tussen de Pavilion en de Odeon. Snel dus terug naar laatstgenoemde waar de Casiokids hun naam eer aan doen: popmuziek maken met een sterke nadruk op het casio-orgel, gecombineerd met dance-invloeden. Lullig? Nee, dat valt reuze mee. Sterker: naar mate de set vordert, nemen de dance-invloeden toe en klinken de kids eigenlijk best hip (denk aan Röyksopp).
Terug naar de Pavilion waar Wooden Ships speelt (een eerdere grap over onze VOC-mentaliteit hebben we toch maar weggelaten). De Amerikaanse band maakt heerlijke drownrock met echo’s van The Spacemen3, lekker noisy, maar toch redelijk toegankelijk dankzij het (casio?)orgeltje.
Hup Hup en snel weer terug naar de Odeon voor Boban I Marko Markovic Orkestar. Dit blijkt echter een vergissing. Let wel: dit is geen waardeoordeel, maar wij worden bij voorbaat suicidaal van vrolijk getoeter en Balkanklanken.
Veel alternatief is er overigens niet, of het moet het compleet overbodige grunge-vehicle Alice In Chains zijn op het hoofdpodium. Men mag zeggen wat men wil over de samenwerking tussen Chris Cornell en Timbaland, maar het was op zijn minst origineel. Die originaliteit ontbreekt nu weer geheel (en verder onthouden we ons maar van verder commentaar). Pauze.
Terug naar de Pavilion. Vooruit, we hadden ook kunnen kiezen voor Biffy Clyro in de Arena, maar die zullen deze zomer ongetwijfeld op meer festivals spelen en hoogstwaarschijnlijk terug te vinden zijn in de live-verslagen van LiveXS. Van Nisennenmondai valt dit te betwijfelen, dus krijgen zij onze voorkeur. De drie Japanse dames maken experimentele, instrumentale muziek. In een uurtje tijd zijn slechts 5 ’songs’ te ontwaren die ontstaan uit het ogenschijnlijke niets en vervolgens via allerlei soundscapes ontaarden in soms redelijk toegankelijke klanken. Ergens horen we bijna de instrumentale versie van Born To Be Alive van Patrick Hernandez. Een groepje begeeft zich in polonaise naar de moshpit. Horen is geloven.
En weer terug naar de Odeon voor de Dirty Projectors. Rammelrock is een verzamelnaam voor sympathieke bandjes (meestal trio’s) die technisch weliswaar niet perfect splelen, maar toch de nodige perfecte popsongs te berde brengen. Dirty Projectors slagen er met hun zessen niet in om maar één memorabel popdeuntje of iets anders belangwekkends te berde te brengen. Misplaatste schoolband of een band die gewoon haar dag niet heeft? Laten we hopen op het laatste. Door deze ellende hebben we Them Crooked Vultures op het hoofdpodium gemist; ook niet echt ons ding, maar altijd vele malen beter dan de wanprestaties die we zojuist hebben gezien.
Ten slotte nog eenmaal voor vandaag naar de Pavilion voor iets waar we tijdens festivals nooit aandacht aan besteden: Health. Hier kunnen we kort over zijn: New Yorkse noiseband gaat één uur lang volle kracht vooruit, vol distortion, volume op 10 en een tomeloze energie. Allesverpletterend optreden en een heerlijk slaapmutsje (ja, we sporen niet helemaal).
Dag 3: Zaterdag 3 juli
Volgen we in ons dagelijks leven het nieuws op de voet, nu blijven we – bij gebrek aan een iPhone of ander moderns – al dagen verstoken van de laatste onwikkelingen. De vele oranje T-shirts doen ons eraan herinneren dat we gisteren tegen Brazilië moesten voetballen en wij eigenlijk helemaal niet weten of we gewonnen hebben. Aan de mensen in de oranje T-shirts hoeven we het niet te vragen, want oranje is ook de kleur van het Roskildefestival, zo heeft het hoofdpodium niet voor niets officiëel ’Orange Stage’. (Inmiddels is het maandag en horen we dat we wel degelijk hebben gewonnen met 2-1; chapeau!)
We hebben nu twee dagen met ideaal festivalweer over het Roskilde-festival gewandeld: veel zon, maar niet te warm. De voor vandaag en gisteren voorspelde hittegolf zal ook vandaag uitblijven. Muzikaal is het wel wat minder vandaag.
Dat begint al als we om 1 uur starten in de Pavilion. The Kandidate maakt metal-core (of hoe heten die subgenres?) en daar hebben we geen kaas van gegeten. Er is echter geen alternatief voorhanden en dat geldt een uur later ook voor de Kings Of Convenience in een uitpuilende Arena. Buiten is geen vierkante centimeter schaduw meer beschikbaar en over een half uur willen we graag The Asteroids Galaxy Tour zien in de Odeon, helemaal aan de andere zijde van het terrein, dus besluiten we de Kings Of Convenience (helaas) ook maar te skippen.
Anderhalf jaar geleden zagen we The Asteroid Galaxy Tour in de piepkleine zaal De Spieghel in Groningen tijdens Eurosonic met stonede blazers. Hier op Roskilde straalt de band zelfvertrouwen uit en komt hun ‘electronic sexy furistic indee soul’ prima uit de verf waarbij de hits als Sun ain’t Shining No More en natuurlijk Around The Bend niet ontbreken. Voor wie vermoedt dat dit eigenlijk net iets te vrolijke muziek is voor ons: ja, dat is wel een beetje zo, maar dit wordt volledig gecompenseerd door de bloedmooie frontvrouwe Mette Lindberg die bovendien over een dijk van een stem beschikt; behalve als ze ons in het Deens toespreekt en wij haar met begeerlijke ogen aanstaren ‘Wat bedoel je nu precies, schat?’
Het is duidelijk merkbaar dat er dit jaar twee tenten minder op het festivalterrein staan en dat de keuze (hiertengevolge) vermindert. Ruim een uur lang kunnen we alleen naar Aurelio Martinez in de Pavilion gaan kijken. Dat is typisch Africaanse popmuziek waar we geen mening over hebben, bovendien hebben we onze portie vrolijkheid nu wel even gehad. Een langdurige zoektocht over het terrein naar een pinautomaat levert niets op. De uitgebreide programmaboekjes (ook dit jaar weer à raison van 2 euro per stuk) waren donderdagmiddag al uitverkocht, dus dolen we nu al bijna drie dagen over het terrein met louter wat printjes van de timeschedule op internet. De onvindbare pinautomaat blijkt uiteindelijk – na navraag – buiten het terrein zelf te staan. Kijk, zo maken we de tijd wel vol…
Om half vijf staat The Floor Is Made Of Lava in de Odeon en een half uur later staat Vampire Weekend in de Arena. We kiezen voor die eerste, in de wetenschap die laatste te moeten missen.
The Floor Is Made Of Lava is een Deense rockband die op haar beste momenten klinkt als The Cult in haar hoogtijdagen en verder naar alles wat naar goeie rock riekt; wel goed, niet bijster origineel.
Vroegtijdig vertrekken we naar de Orangestage want daar speelt (oeps, bijna vergeten) Patty Smith en haar band. De veterane klinkt opvallend goed, bijna snerend alsof ze het zusje is van Mark E. met dezelfde achternaam. Verder schitterende uitvoeringen van klassiekers als Dancing Barefoods, People have the Power, Perfect Day en Because The Night; weinig van verwacht, maar compleet ten onrechte.
Voor het eerst barst de Pavilion uit zijn voegen als daar Beach House aantreedt. Terecht? Mwa, de band maakt een soort psychedelische sprookjespop, een soort Sigur Ros-Light, met kenmerkende hoge, ijle vocalen van de zangeres. Jointjes gaan van hand toch hand. Jemig de pemig, het feest kan beginnen.
In de Cospomol nemen we een stukje mellow-house mee van Prins Thomas (lekker voor de afwisseling) en dan moeten we toch echt eens gaan pinnen. Dat we al een paar uur weten waar dat ding staat, wil nog niet zeggen dat we er al daadwerkelijk gebruik van hebben gemaakt. Tot nu dus. Gewapend met een halve liter bier, begeven we ons buiten het festivalterrein. We verwachten een lange rij voor de automaat, maar dat valt gelukkig mee. Bij terugkomst op het terrein worden we gesommeerd de halve liter in één teug leeg te drinken! Protesten van ’maar die hebben we zojuist op het terrein zelf gekocht’, mogen niet baten; zuipen kreng! Festivals en absurde regeltjes: het begint onderhand krankzinnige vormen aan te nemen.
Het zou niet meer goed komen vandaag: wij zijn onze uitgeprinte timeschedule kwijtgeraakt en dolen zo zonder kompas over het festivalterrein. Als een wonder vinden we ergens een festivalboekje, maar (ook zo handig) daarin geen timeschedule en onze donderdag opgelopen verkoudheid begint ons parten te spelen.
Omdat de leukste en beste bands tot dusver voornamelijk in de Odeon en de Pavilion stonden, gaan we eerst maar naar eerstgenoemde naar Nile. Dat is speedmetal, of deathmetal desnoods. Wat beide termen verbindt is dat we er geen zinnig woord over kunnen zeggen. Dan maar weer naar de Pavilion waar we eveneens geen zinnig woord kunnen zeggen over het vrolijke Africaanse gejam van Bassekou Kouyate & Ngoni Ba.
De wet van Murphy is ingetreden: We zijn ons kompas kwijt, we hebben niets met de muziek die we toevallig wel horen, overal om ons heen beginnen Denen (M/V) in het wild te pissen waardoor het overal gaat stinken en wij nog zieker worden dan we al zijn. Pauze, nee, time-out; dit wordt ‘m niet meer voor vandaag…
Dag 4: Zondag 4 juli
Het gaat wel weer. Na een lange nacht slapen, voelen we ons weer goed en het weer is eigenlijk voor de vierde dag op rij prima: Lichtbewolkt met een kleine spetter (al mag dat geen naam hebben), later ook weer veel zon en een aangename temperatuur. We pakken de uitgeprinte timeschedule voor vandaag erbij.
Van Dyke Parks staat symbol voor de grijzende, zelfbenoemde muziekkenners van VPRO-huize die graag koketteren met goede smaak. Zelf hebben we dit nooit zo goed begrepen, maar we willen gerust nog een poging wagen om 1 uur in de Arena. Als de eveneens grijze Van Dyke Parks aantreedt is de tent voor slechts eenderde gevuld. Op het podium staat een compleet orkest met blazers, strijkers en zelfs een dirigent. De muziek doet denken aan Amerikaanse TV-series uit de jaren ’50 en ’60. Hoewel dit zondermeer zeer vakkundig gemaakte muziek is, hebben we het na een half uurtje toch echt wel gezien. Worden we zelf al grijs? Nee, gelukkig niet.
Het is natuurlijk niet te vergelijken, maar Die Antwoord in een bomvolle en bloedhete Cosmopol boeit ons meer. Hip-Hop uit Zuid-Afrika. Jawel, een combinatie van moddervette beats, een uitermate rap van tong zijnde MC en een zangeres/rapster met een kinderlijk hoge stem; een combinatie die werkt! Bovendien is het leuk om op dit Deense festival toch eens wat Nederlands te horen. Nou ja, daar lijkt Afrikaans toch best wel op hè?
En dan nu: oude heldenverering. Met het metalgenre hebben we niets, maar Motörhead is hierop de uitzondering (en, vooruit, Rammstein). Frontman Lemmy Kilmister is inmiddels 64 maar denkt nog niet aan zijn pensioen. Natuurlijk lijken de nummers best op elkaar, maar daar zeurden we 20 jaar geleden ook niet over als we naar The Ramones gingen. Hij heeft ze trouwens overleefd (deels zelfs letterlijk), "We are Motörhead and we play rock ‘n roll, even Prince-fans like rock ‘n roll, hey?!". Zeg maar ja.
Snel door naar de Pavilion. Local Natives is de nieuwe loot aan de stam van hippe Amerikaanse indeebandjes. Met Africaanse ritmes die aan Vampire Weekend doen denken en en ijle meestemmige zang die aan Fleed Foxes doet denken, hebben ze de zeitgeist in ieder geval mee. Toch bekoort het maar matig. Het lijkt ons eerder een nietszeggend suffig bandje (of zou dat komen omdat de echo’s van Motörhead nog steeds in onze hersenen na-echoën?).
The Kissaway Trail is een Deense band die ook in ons land al enige bekendheid geniet. Ze spelen in de Odeon die, opvallend genoeg, lang niet vol staat. Aan de muziek kan het niet liggen, want de melancholische indeerock die doet denken aan Flaming Lips en Arcade Fire klinkt prima. De groep oogt wat stijfjes op het podium maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door een vaag zesde bandlid dat bijna voortdurend met twee tamboerijnen staat te zwaaien: Tony van Heemschut of de Deense variant op een Melkertbaner?
The National opende een paar jaar geleden op Lowlands als relatief onbekende band, maar sinds kort is er een buzz rond de band dankzij het nummer Bloodbuzz Ohio. Nu spelen ze voor een volle Arena, het grootste podium na het hoofdpodium. Ondanks dat ’de hit’ opvallend genoeg al als derde nummer wordt gespeeld, weet de band moeiteloos een uur te boeien dankzij een intense gitaarmuur, opvallende instrumenten als schuiftrombone en viool en natuurlijk de prachtige donkere barritonstem van zanger Matt Berninger. Die laatste maakt een duik in het publiek en zingt moeiteloos door. The National weet gemakkelijk, maar terecht haar plaats te veroveren tussen pakweg The Editors en Nick Cave.
Even voor het einde zetten we de lange wandeling terug naar de Odeon in, want daar speelt Miike Snow, een Zweeds producerscollectief dat eerder werkte voor onder andere Madonna, Kylie en Britney, We zijn benieuwd!
Ai, valt dat tegen! Daar waar dat andere Zweedse producerscollectief (Teddybears) er twee dagen geleden nog wel in slaagde een puike liveshow neer te zetten vol catchy hits, komt dit collectief niet verder dan… Tsja, wat eigenlijk? Een David Guetta die met zijn verkeerde been uit bed is gestapt. Even komt zelfs de vermaladijde term ‘dreamhouse’ in onze gedachten. Het moet niet veel zotter worden! I just can’t get you out of my head, zong Kylie ooit, laten we hopen dat dit niet op dit gezelschap slaat.
We komen langzaam tot een afronding. Nog twee acts te gaan. Als eerste is daar Pavement in de Arena. De Amerikanen zijn een tijdje uit elkaar geweest, maar veel is er niet veranderd ten op zichte van pakweg 15 jaar geleden. Met een droogklotig gevoel gevoel voor humor worden de nummers aan elkaar gepraat door frontman Stephen Malkmus. De Lo-Fi en en college rock (nee, geen rammelrock) heeft nog niets aan kracht ingeboet; we hebben geen reden tot klagen.
Ten slotte gaan we met zijn allen richting de Orange-stage voor het eerste optreden van Prince op Roskilde ooit. De grote kleine man laat even op zich wachten, maar een simpel handgebaar of een kort riedeltje op een mondharmanica van één van de reeds aanwezige bandleden is voldoende om de menigte in extase te brengen. Dan verschijnt His Royal Bandness zelf ten tonele. We blijven kritisch; Prince kan hele moeilijke dingen doen met funk en soul en daar hebben we helemaal geen zin in. Blijkbaar heeft De Artiest daar ook geen zin in, want nadat is afgetrapt met Let’s Go Crazy komt een stroom van greatest hits in rap tempo voorbij: 1999, Little Red Corvette, I Like My Guitar, Purple Rain en covers van Le Freak (Chique), Lean On Me (Bill Withers) en Nothing Compares 2U (Sinead O’Connor). Oeps, die laatste was natuurlijk het origineel, de hitversie van O’Connor was de cover. In de toegift horen we het briljante Mountains en het evenzo briljante Kiss. Dat uitgerekend Prince op de valreep nog het verschil maakt tussen een aardig en een goed festival verbaast ons zelf eigenlijk ook wel… tekst Willem Roose











