London Calling 2010 #2: Warpaint is weergaloos, Villagers veelzijdig

London Calling 2010 #2: Warpaint is weergaloos, Villagers veelzijdig

villagers_06.jpgPARADISO, Amsterdam
12 november 2010

 
Ooit was London Calling enkel gericht op Britse muziek, tegenwoordig is een aanzienlijk deel van de bands afkomstig uit andere contreien. Ooit kon je op de avond zelf nog gemakkelijk een kaartje kopen, tegenwoordig is het festival standaard weken van tevoren uitverkocht. Of er een verband is weten we niet, maar deze tweede editie van 2010 mag er zeker zijn. Een verslag van puntige gitaarrock, bonkende pogomuziek, ingetogen Ierse wegdroomliedjes, headbangende metalhoofden en euro-discoënde dj’s.

Advertentie

 
VRIJDAG

Race Horses

Op het eerste gezicht oogt de band Race Horses, afkomstig uit Wales, met
een zanger die op Olivier Tuinier van de alom bekende film De
Tasjesdief lijkt, vooral snoezig. Dat ze ook nog eens beginnen met lieve
popliedjes à la The Beach Boys draagt bij aan de gedachte dat je dit
opzet als je in een happy mood verkeert. Maar de band kent meer
gezichten vanavond. Zo zingen ze droevige ballades in hun moedertaal
(Gaelic) en schroeven ze de gitaren en bas soms flink omhoog naar een
monsterachtige stonerrocksound. Het levert een prettig gevarieerd
plaatje voor het gehoor op, maar er is nog geen sprake van eenheid.
Trekken ze dat in de toekomst strak, dan komen ze wellicht nog een keer
terug.
 
Airship
Deze band had beter in de kleine zaal mogen staan, want met geen
mogelijkheid krijgen ze het publiek mee. De grote zaal is voor de band
uit Manchester nog echt een maatje te groot. Je voet tikt wel mee op de
maat van de soms wat melancholieke, dan weer gejaagde indierock, maar je
hoofd zit ergens anders. Dat komt uiteraard ook omdat de bandleden de
liedjes op automatische piloot lijken te spelen. Doe even gezellig,
jongens, met zo’n ongeïnteresseerde blik overtuig je niemand. Dat ook de
zang soms overstemd wordt door de gitaarpartijen is het zoveelste
mankement waarom je de zaal wil verlaten. Op plaat veelbelovend, nu live
nog wat meer input graag.
 
North Atlantic Oscillation
Misschien hadden we toch in de kleine zaal moeten staan, want op het
scherm dat voor het ombouwen naar beneden komt in de grote zaal komt de
electronische progrock van de Schotse band North Atlantic Oscillation
niet over. Ondanks de doorschakeling van de ene naar de andere zaal
klinkt het geluid behoorlijk blikkerig. Jammer, want op plaat schuift de
vervormde hoge meerstemmige zang mooi over de stuwende baslijnen heen.
Ook de kern, zich herhalende lijntjes in de ritme- en bassectie, heeft
de band niet onder controle. Het levert een sound op waarin zoveel
dingen gebeuren dat je door de bomen het bos niet meer ziet. De
conclusie: een doelloos en rommelig geheel.
 
Villagers
Omdat ze vorig jaar al de sterren van de hemel speelden, mogen Conor
O’Brien en zijn Ierse vrienden van Villagers dit jaar nog een keer
opdraven. De grote zaal staat ruim voor aanvang van de set stampvol.
Conor mag dan een klein ventje zijn, zijn stembereik is gigantisch. Met
zijn puntige dictie en veelzijdige stemgeluid is het binnen no time
klaar als een klontje dat we nog veel gaan horen van Villagers. Bij I
Saw The Dead
gonst een zachte stemgolf door de zaal en bij Pieces huilt
Conor als een getergde wolf. De tokkelende gitaren verzanden door
weldoordachte opbouw in een climax waar kippenvel niet eens de lading
dekt. Mag deze jongen heel snel weer terug komen naar Nederland, want
zulke mooie liedjes krijg je niet vaak voorgeschoteld. Schitterend.
 
Rolo Tomassi
Ook al heb je niets met het genre, het blijft bewonderenswaardig dat de
bandleden van het Britse Rolo Tomassi zich een half uur lang vol
overgave door hun grungemetal heen kunnen beuken. Ook opmerkelijk is de
zangeres: een schattig ogend meisje dat als een beest over het podium in
de kleine zaal heen stuitert. Waar die energie vandaan komt, geen idee,
maar zelfs al vind je het complete herrie, dan nog blijf je met open
mond achter en wil je meer zien. Enige minpuntje is dat het na een
tijdje wat eentonig begint te worden, maar met een half uur speeltijd is
dat net te doen.
 
The Futureheads
Misschien ligt het aan het feit dat de zang niet bijster goed te
verstaan is, of dat de melodielijnen niet goed overkomen, maar de
Britten van The Futureheads overtuigen geen derde keer op het festival.
Voorin de zaal gaat het dankzij pogoënde fans wel aardig los, maar
achterin kijken de meesten met een blik die het midden houdt tussen
verveeldheid en ongenoegen. Bij rustigere liedjes laat de band zien dat
het heus wel potentie heeft, maar met bonkebonk-nummers alleen red je
het niet vanavond.
 
We Are Scientists
Eén van de hoogtepunten van vanavond, al was het maar omdat We Are
Scientists alle hits speelt. Ze openen met laatste single No Rules en
vanaf dan volgen de nummers elkaar in rap tempo op: onder andere Nobody
Moves Nobody Get Hurt, Inaction, Cash Cow, The Great Escape, What’s The
Word, Impatience, Chick Lit
en Dinosaurs maken de hitmachine compleet.
De fans voorin de grote zaal gaan compleet los en al snel klimmen de
eerste crowdsurfers het podium op. Velen erna volgen, doen een dansje
met zanger Keith Murray en bassist Chris Cain en duiken daarna het
publiek weer in. Keith kijkt er verbijsterd naar en zegt: “Jullie zijn
écht knet-ter-gek!” Bij afsluiter After Hours is er geen houden meer aan
en is de eerste (en tevens enige) stage invasion van London Calling dag
1 een feit. We Are Scientists kwam, zag, en overwon met glans.
 
The Knocks
Om nou meteen al in de eerste vijf minuten van je set vier keer te
roepen wie je bent en waar je vandaan komt lijkt misschien wat
overtrokken, maar de heren van The Knocks vinden het heel belangrijk dat
de kleine zaal vanavond begrijpt dat ze uit New York komen en dat dit
hun eerste keer in Amsterdam ooit is. De twee dj’s mixen allerhande
eurodisco-hits aan en door elkaar. Eigen materiaal zorgt ook dat de
voetjes van de vloer gaan als het steeds voller stroomt. Een prettig
dansfeestje om even op bij te komen. Dit smaakt zeker naar meer.
 
Ratatat!
Voor wie van rare experimentele bliepjesmuziek, gespeeld door langharig
hippietuig dat synthgeluiden uit gitaren laat komen houdt, zit je bij de
Amerikanen van Ratatat goed. Eén nummer duurt gemiddeld tien minuten
maar het verveelt niet eens zo heel erg. De lome tred en fijne opbouw
van elk nummer, de maffe animaties van vervormde hoofden van all
american families en arenden zorgen voor een relaxte sfeer in de grote
zaal. Dit is genieten met je verstand op nul. Laat je leiden door de
muziek, geen afleiding door valse zang want die is er toch niet.
Instrumentale verlichting pur sang.


ZATERDAG

Good Shoes

Op London Calling 2006 stonden ze in de kleine zaal, nu mag Good Shoes
de grote zaal bespelen. Helaas vallen ze net als toen in een matige
speelherhaling. De riffjes zijn er, de melodietjes kloppen ook nog wel,
maar het meest storende aan deze band is dat de zanger niet schijnt te
snappen dat vals zingen enorm ongewenst is. Als hij nou toonblind was
geweest had hij nog een excuus gehad, maar dit klinkt helemaal nergens
naar. Het verpest de in potentie best fijne britpopliedjes. Misschien
kunnen ze de zanger wat zanglessen geven. Of gewoon maar stoppen, want
voor 13-in-een-dozijn-bandjes kom je niet naar London Calling. En al
helemaal niet als ze niet kunnen zingen.

Summer Camp
Dit is precies het type band dat in de categorie ‘typische London
Calling-band’ valt. Het is wel gaaf, maar je weet na een tijdje ook niet
zo goed wat je ermee moet. Het Londense duo, bestaande uit gitarist en
synthesizerman Jeremy Warmsley en zangeres/toetseniste Elizabeth Sankey,
maakt plezante lo-fi popliedjes. Met een maffe fotoslide met groot
bebrilde jaren zeventig-types erop ondersteunen ze hun set, maar wat die
nou precies toevoegt is niet duidelijk. De heldere zang is in ieder
geval prima in orde, maar na een kwartiertje kun je net zo goed gaan
afwassen omdat het in achtergrondmuziek voor een familiedocumentaire uit
de jaren tachtig vervalt. Geen sterke uitschieters dus, wel heel erg
prettig.

Yuck
Dankzij de vreemde afbuigende zang lijkt het Britse Yuck tijdens de lome
nummers, ingezet door tokkelende gitaar, af en toe op een opgevoerde
versie van Bob Dylan. Het kapsel van de zanger helpt daar overigens ook
een handje bij mee: net zo’n warrige pluisbol. Met een uptempo nummer
als Georgia lijkt de band dan weer meer op Sonic Youth. Het
shoegazegenre is bij vlagen nog niet voorbij want de band kent weinig
interactie met het publiek. Waarschijnlijk is dat de reden dat ze wel
een degelijk applaus krijgen, maar zeker niet het onderste uit de kan
weten te halen.

Warpaint
De enige band die uit dames bestaat vanavond rockt harder dan alle
mannelijke bands op het hele festival bij mekaar. De drumster van het
Amerikaanse Warpaint is zowaar het vrouwelijke equivalent van Muppet
Animal, zoals ze met tong uit de mond en het haar wild zwierende haar
drumstel te lijf gaat. Geniaal is nog niet eens een goeie beschrijving
van de constante spanningsboog die de band het hele optreden vast weet
te houden. De ijle, soms hoge, meerstemmige zang en de groovy
baspartijen complementeren elkaar moeiteloos in de psychedelisch
pulserende nummers. De onverwachte wendingen in de ritmes van sommige
nummers is weergaloos en zie je totaal niet aankomen. Met zo’n
beheersing en snelle terugkoppeling plaatst de band zich linea recta in
de categorie ‘beste ontdekking’ van London Calling 2010. What more can
we say: deze band moet je gezien hebben.

Tame Impala
Nog zo’n ontdekking is het Australische Tame Impala. De grungy
trancerock, gebracht op blote voeten en zonder al teveel poespas, werkt
aanstekelijk. Binnen korte tijd pakken ze de grote zaal helemaal in. De
zang, die wat weg heeft van John Lennons stemgeluid, wordt gemixt met
kletterende baspartijen en dat geeft een opmerkelijk geluid. Ook
opmerkelijk is de jaren negentig cover Remember Me van Blue Boy, die
voor een opleving in de zaal zorgt. Ja, deze kennen we allemaal, dus dat
is meezingen en meegrooven geblazen. De psychedelische lijzige zang en
stuwende drums komt mooi samen in Desire Be Desire Go. Prima band.
Volgende keer iets meer stage presence, maar dat is te verwaarlozen in
vergelijking met de goeie indruk die ze achterlaten.

Wavves
Bands die hun tijd nemen voor de nummers zijn op zich welkom, maar
schaamteloos de ene joint na de ander opsteken en je publiek bij wijze
van komisch intermezzo hiermee proberen te vermaken is een ander
verhaal. Niet voor niets klinkt uit de zaal een paar keer een geërgerd
‘spelen!’ naar de Californische garage- en surfrockers genaamd Wavves.
Zo relaxt als ze tussen de nummers lijken, zo knalhard rammen ze de set
er doorheen. Aan energie geen gebrek. Jammer alleen dat die zang totaal
niet te verstaan is, maar dat lijkt het voorste gedeelte van het publiek
niet te deren. Die moshen gewoon door. Minpunten: als je nog een
trommelvlies over hebt na dit optreden, heb je iets goed gedaan. Ook die
overdreven feedback tussen de ‘liedjes’ door is vreselijk irritant.
Niet iedereen kan het geluidsniveau waarderen en als het optreden over
de helft heen is, is ook de zaal aanmerkelijk leger. Degenen die
overblijven hebben dan weer wel de tijd van hun leven.

The Hundred In The Hands
Typisch Londens electropopgeluid, dat lekker wegdanst in de kleine zaal.
Zangeres Eleanore Everdell gebruikt in haar discohouse soms net zulke
gilletjes als Karen O van Yeah Yeah Yeahs. Als je die maar half hoort
komt het alleen niet over. Datzelfde geldt voor de zang, die als zachte
lijn prima met de harde gitaarpartijen contrasteert. De knallende beats
zijn wel lekker, zo midden in de nacht. Jammer alleen dat het op plaat
wat strakker klinkt dan deze door de gitaar overstemde set. Het is wat
rauwer, wat op zich prima is, maar met de versterking van één element
moet je natuurlijk niet de rest van je set overstemmen zoals vanavond
gebeurt. De band klinkt overigens als een betere versie van Stricken
City, de stadsgenoten die op LC Koninginnedag 2009 mochten spelen. Met
wat meer uitdagendere liedjes beklijft The Hundred In The Hands
misschien wel. Judith Laanen

Gerelateerde berichten:

Dit bericht is geplaatst in Live Recensies. Bookmark de permalink.